De kaart,
niet het gebied


Ontwerpen voor KNSM-Eiland

Uit het archief



Oorspronkelijk verschenen in de Architect, februari 1991, p 40-47

↑ Luchtfoto Oostelijk Havengebied, rechts op de foto het KNSM-eiland (Foto DRO)

Bij het maken van stedenbouwkundige ontwerpen voor stedelijke reconstructie gebieden wordt expliciet de relatie met de bestaande stad aan de orde gesteld. Aangezien een op dergelijke opgaven gericht instrumentarium nog lijkt te ontbreken, zijn ontwerpers geneigd gebruik te maken van bekende modellen‚ die bijvoorbeeld refereren aan de historische stad of aan de moderne stedenbouw.

Tekst Sjoerd Cusveller

Het hergebruik van het KNSM-Eiland is een van de vele voorbeelden in Nederland waarbij in de vergetelheid geraakte stadsdelen worden ingezet voor de zogenoemde stedelijke vernieuwing. Het opnieuw in gebruik nemen van niet meer functionerende fabrieksterreinen, havengebieden en spoorwegemplacementen biedt ruimte voor de creatie van een ‘verleidelijk stadsbeeld' en levert zo een belangrijke bijdrage aan het poneren van de attractiviteit van de stad.


In zekere zin is dit voor de ontwerpende disciplines een nieuwe opgave. Het gaat immers niet enkel om het ontwikkelen van een bebouwingsplan, want het ontwerp speelt ook een niet te onderschatten rol in de stedelijke vernieuwing en heeft daarmee een betekenis voor de stad als geheel. Opvallend is hierbij het grote verschil in aanpak tussen de ontwikkeling van de IJ-0evers en het Oostelijk Havengebied in Amsterdam en bijvoorbeeld de aanpak van de Kop van Zuid in Rotterdam. De laatste wordt gedragen door een helder stedenbouwkundig plan, alle bouwinitiatieven van derden moeten zich daaraan conformeren. Het stedenbouwkundig ontwerp staat hier aan de basis van de stedelijke vernieuwing en biedt daar een strategisch kader voor.

In Amsterdam ontbreekt een dergelijk plandocument als basis voor de bouwplannen. Pas in januari 1990 heeft de gemeenteraad de Nota van uitgangspunten voor de IJ-oever goedgekeurd samen met eenzelfde nota voor het oostelijk havengebied. De planontwikkeling is op dat moment eigenlijk al gepasseerd door de verschillende bouw initiatieven. Met de blik gericht op bouwen worden deze initiatieven ook gehonoreerd. Een dergelijke ad hoc werkwijze blijkt geen vertrouwen in te boezemen bij de diverse partners in het bouwproces. Het is onduidelijk in hoeverre de gewenste kwaliteit gerealiseerd kan worden en met welke middelen dat zal gebeuren. Aan de andere kant levert het honoreren van initiatieven van derden een diversiteit aan grote en minder grote bouwprojecten op.

↑ en ↑↑ Op verzoek van de Bewonersgroep Oostelijk Havengebied maakte Van Herk & De Kleijn een plan voor de inrichting van het KNSM-Eiland, dat door de gemeente ter zijde is gelegd

Plan Van Herk & De Kleijn

De grote betrokkenheid van de gebruikers en bewoners van het KNSM-Eiland bij de verdere ontwikkeling van hun woon- en werkgebied en een gezond wantrouwen ten opzichte van de planningsinstituten van de gemeentelijke overheid, doen de Bewonersgroep Oostelijke Eilanden besluiten aan het bureau Van Herk & De Kleijn Architecten opdracht te geven een stedenbouwkundig plan voor het eiland te maken. Al eerder heeft de bewonersgroep Oostelijke Havengebied laten zien een goed oog te hebben voor de speciale kenmerken en mogelijkheden van het havengebied en tevens weinig vertrouwen te hebben in het benutten ervan via een traditionele planaanpak. Op het eerste gezicht kent het 'Waterkadeprojekt’ van Van Herk & De Kleijn een volstrekt eigenzinnige ordening. De meest voor de hand liggende structuurlijn, de lengterichting van de pier wordt bijna provocerend genegeerd. De belangrijkste ontsluiting en de nieuwe woongebouwen staan steeds onder een hoek met de kades‚ Het plan formuleert inderdaad zijn eigen wetmatigheden. Maar op een subtiele manier blijkt er een wisselwerking te bestaan tussen deze wetmatigheden en de gehandhaafde architectonische objecten.

Aan het ontwerp gaat dan ook een minutieuze analyse van de bestaande situatie en de klimatologische omstandigheden vooraf. Loods 6, met name de afgeschuinde kop, structureert het toegangsgebied tot de pier en bepaalt de richting van de eerste bebouwing. Loods 6, geïnterpreteerd als een bebouwingsrug, wordt doorgezet aan de noordkant van de pier. De kantine op pootjes markeert een knikje in de ontsluitingsweg en een plein aan het water. Andere gebouwen doen zich weer voor als 'objet trouvé' en krijgen een nieuwe betekenis.

Het plan versterkt de asymmetrie van de pier. Aan de noordkant een langgerekte en gesloten bebouwing, waarachter een beschutte, openbare kade met een panorama over het IJ. Aan de zuidkant een open bebouwing waardoor de zon en het idee van water ook in het midden van de pier te ervaren zijn. Ook hier zijn de kades openbaar maar met een meer actief recreatief gebruik in vergelijking met de kades aan de noordkant.

↑ Stedenbouwkundig Programma van Eisen IJ-eiland-Oost, ontworpen door DRO‚ hierin is gebruik gemaakt van gesloten bouwblokken, duidelijke scheiding tussen openbare en niet-openbare ruimten, middelen waarmee de klassieke stad is opgebouwd. (Foto DRO)

↑ Stedenbouwkundig ontwerp van Jo Coenen (Foto DRO)

↑ Ontwerp van het oostelijk bouwblok van Bruno Albert

↑ Modificatie van het westelijke bouwblok door Hans Kollhoff

Stedenbouwkundig ontwerp Jo Coenen

Het stedenbouwkundig ontwerp voor het KNSM-Eiland van Jo Coenen beweegt zich anders dan het plan van Van Herk & De Kleijn binnen de door de gemeente aangereikte kaders. Deze bestaan uit het 'Stedenbouwkundig Programma van Eisen IJ-Eiland—Oost', vastgesteld door de gemeenteraad in mei 1988 en de structuurschets voor het Oostelijk Havengebied.


In de structuurschets wordt het Oostelijk Havengebied opgevat als een integraal deel van de bestaande stad. De geïsoleerde ligging van het gebied wordt verbeterd door het doortrekken van structuurlijnen vanuit de bestaande stad. Hiermee wordt de intentie uitgesproken het bestaande stedelijke weefsel door te zetten in de nieuwe woongebieden. Een en ander kan alleen maar zijn beslag krijgen door een fors aantal infrastructurele werken: aanleg van de IJ-boulevard met een tunnel door het Spoorwegbassin, een nieuwe brug over de IJ-haven, een nieuwe dam tussen de IJ-haven en de Ertshaven, een nieuwe verbinding over het Spoorwegbassin, een verbinding met brug over de Entrepothaven en nieuwe bruggen over het Lozingskanaal en de Nieuwe Vaart.


De intentie die in de structuurschets op structureel niveau wordt uitgesproken, wordt in het Stedenbouwkundìg Programma van Eisen op planniveau vastgelegd: gesloten bouwblokken, duidelijke scheiding tussen openbare en niet—openbare ruimten, besloten en beschutting biedende ruimten, oriëntatie van de woningen op het water of op een aantrekkelijke stedelijke ruimte. Het zijn de middelen waarmee de klassieke stad is opgebouwd. De afwijkende elementen hebben te maken met het uitbuiten van de bijzondere ligging in het water: formele beëindiging van het eiland, routing naar het mooiste panorama en een plein aan de Ertshaven. De opdrachtgevers, dat wil zeggen de woningbouwverenigingen, hebben vervolgens aan Jo Coenen de opdracht verstrekt het Stedenbouwkundige Plan van Eisen nader uit te werken.


Het stedenbouwkundig ontwerp van Jo Coenen volgt in zijn hoofdstructuur de lengterichting van de pier. De bouwblokken en de hoofdontsluiting lopen parallel aan de kades De maatvoering van de nieuwe bouwblokken en de hoofdontsluitíng zijn afgeleid van de positie van de bestaande architectonische objecten, zodat die een vanzelfsprekende plaats in het geheel krijgen De bijzondere positie en vorm van Loods 6 wordt gebruikt om samen met toegevoegde bebouwing de toegang tot de pier te ensceneren. Een rond wooncomplex markeert het einde van de pier. Daartussen loopt een brede boulevard die een smalle bebouwingszone aan de noordkant en een brede aan de zuidkant van de pier afperkt. Een drieslagstelsel dat overeenkomsten vertoont met de oorspronkelijke ordening van de pier.

De verschillende bouwvormen versterken de asymmetrie van de pier. De smalle strook bevat U-vormigc bouwblokken met de open zijde aan de zuidkant. De brede strook telt twee superblokken‚ daartussen de kantine op pootjes en een plein aan het water. De superblokken zijn verder gedifferentieerd door de projectie van ovalen pleinen ter plaatse van een dwarsverbinding. Ook in dit plan zijn de kades voor iedereen toegankelijk. De noordkade heeft een bijna utilitair karakter, een strakke wand met regelmatig dwarsverbindingen naar de centrale boulevard Hier gaat men wandelen met opgeslagen kraag. De zuidkade wordt vooral gekenmerkt door de aanlegplaatsen van woonschepen en de afwisseling van nieuwe en bestaande bebouwing.


Het ontwerp van Jo Coenen kenmerkt zich door de introductie van een nieuw structurerend element, de centrale boulevard, die zo dominant is, dat architectonische verschillen makkelijk op te nemen zijn. Een tweede belangrijk kenmerk is het relatief gesloten stadsbeeld in contrast met de wijdse watervlakten. Af en toe dringt via de dwarsstraten het vermoeden van water het plan binnen, maar alleen aan de kades is het water overheersend. Het plan poneert zijn eigen kwaliteit en maakt daarbij dankbaar gebruik van de bijzondere context.


De structuurschets voor het Oostelijk Havengebied richt zich expliciet op de continuering van het bestaande stedelijk weefsel van Amsterdam. Het Oostelijk Havengebied wordt geponeerd als een uitbreidingsgebied van de bestaande stad. Het is echter niet zondermeer de bestaande stad die als referentie voor het stedenbouwkundig ontwerp voor het KNSM-eiland dient. Jo Coenen refereert aan een meer abstract ideaal van de klassieke stad met zijn goed gedefinieerde openbare ruimte als structurerend middel, het bouwblok als basiselement en met strategisch geplaatste accenten. Het plan kan bijna gelezen worden als een manifest voor de architectuur van de stad.


De verhouding tussen plan en stad

De ontwerpen van Van Herk & De Kleijn en jo Coenen nemen in zekere zin vergelijkbare posities in; zij zijn te lezen als een kritiek op de gangbare planning en ontwerpmethodieken. De geformuleerde antwoorden zijn echter totaal verschillend. Het ontwerp van Coenen verleent de architectuur betekenis in de continuïteit van de stad, het creëren van een stedelijke samenhang. Het klassieke stadsbeeld dient daartoe als referentie. In het ontwerp van Van Herk & De Kleijn krijgt de architectuur betekenis in de enscenering van een stedelijk landschap op basis van de materiële ondergrond. Hier dient de Moderne Beweging als referentie.

↑ Computertekeningen van de inrichting van de openbare ruimte bij het blok van Hans Kollhoff (afbeeldingen DRO)

In beide ontwerpen dient zich de vraag aan of niet op een zelfde wijze als in de gebruikelijke planningmethodieken, een nieuwe orde op het gebied wordt geprojecteerd, zij het voorzien van een specifiek architectonisch beeld. Het doet daarbij minder ter zake waar de architectuur aan refereert, aan de Moderne Beweging of aan een specifiek fragment uit de geschiedenis van de stad. Wat van belang is, is de vraag in hoeverre het gebied zelf als referentie dient. Of gaat het nog steeds over de kaart en niet over het gebied.


Het belang van dit vraagstuk wordt duidelijk door de inzet van de herstructurering van in onbruik geraakte stadsdelen in de stedelijke vernieuwing. In deze gebieden is de ruimte te vinden voor de creatie van een verleidelijk stadsbeeld, voor het poneren van een wervende stedelijke cultuur, voor het vormgeven aan de stedelijke identiteit. Het paradoxale is dat in de stedelijke vernieuwing met zijn referenties aan klassieke of modernistische stadsbeelden (New York, New York) juist de culturele identiteit van de stad dreigt te sneuvelen onder een nieuwe orde of onder de valse historiciteit van het incidentele behoud. Het is daarom hoog tijd te onderzoeken in hoeverre een manier van ontwerpen kan worden ontwikkeld, waarbij het gebied zélf als referentie dient.

Verwijzingen naar een dergelijke manier van werken zijn in de recente architectuur en stedenbouw te vinden. Het werk van de Italiaanse stedenbouwkundige Bernardo Secchi voor Sienna is er bijvoorbeeld in de eerste plaats op gericht de stedelijke processen in kaart te brengen. Een begrip van de steeds wisselende verhoudingen tussen structuur, vorm, gebruik en geschiedenis van de stad vormen de basis voor het stedenbouwkundig ontwerp. Verdere inspiraties bij het zoeken naar een ontwerpstrategie die zich baseert op het gebied is te vinden in het werk van architecten als Jean Nouvel en Peter Wilson.


Op het KNSM-eiland zelf levert de uitwerking van een bouwblok door Hans Kollhoff een expliciete kritiek op het stedenbouwkundig ontwerp en de valse historische identiteit die het zich aanmeet. In zijn ontwerp gaat Kollhoff op zoek naar het specifieke van de locatie en zet dat vervolgens in om het voorgestelde type bouwblok te transformeren tot een met het gebied verbonden gebouw, gevouwen als de huid van een schip.


Oorspronkelijk verschenen in de Architect,
februari 1991, p 40-47